In een eerder bericht heb ik al iets gemeld over mijn positie tijdens die vijandelijkheden tussen Frankrijk en Engeland die uiteindelijk zo lang zouden duren, dat ze later de Honderdjarige Oorlog werden genoemd.

Er waren twee grote problemen tussen die twee koninkrijken die uiteindelijk tot die oorlog hebben geleid.  

Het eerste probleem: toen in 1328 het Franse koningshuis Capet in rechtstreekse mannelijke lijn uitstierf, maakte de Engelse koning Edward III, wiens moeder, prinses Isabella van Frankrijk, een dochter was van de Franse koning Filips IV, aanspraak op de Franse troon. Maar dat viel in Parijs niet in goede aarde. Hoewel Edward zich daar aanvankelijk bij neerlegde, kwam hij er later toch weer op terug.

 Eduard III

Edward III (1312-1377), koning van Engeland

Het tweede probleem was, dat Engeland in Frankrijk gebieden te leen had – dat had zich in de loop der tijd nu eenmaal zo ontwikkeld – die derhalve binnen het feodale systeem van de Franse troon vielen. Zo was de Engelse koning in feite ondergeschikt aan de Franse en moest hij na het overlijden van een Franse koning zijn opwachting maken bij de inhuldiging van diens opvolger. Nu gingen er aan het begin van de 14e eeuw in een periode van veertien jaar vier Franse koningen dood. Maar omdat de toestand in Engeland nou niet bepaald rustig was – oorlog met Schotland bijvoorbeeld – en ook de overtocht naar Frankrijk veel geld kostte – de koning kwam natuurlijk niet alleen met vrouw en kinderen – liet de Engelse koning wel eens wat lang op zich wachten. De verschillende maatregelen die Parijs als represailles nam, waren op den duur zo ingrijpend, dat de Engelse koning Frankrijk de oorlog verklaarde. Velen beschouwen die als de afsluiting van de Middeleeuwen. Op die oorlog kom ik later vast terug.

Beste lezers, vergeef mij! Dit bericht gaat over de aanleiding tot een oorlog die onder de betrokken volkeren veel ellende heeft teweeggebracht. Omdat ik mij hoe dan ook als een buitenstaander beschouw – ik ben weliswaar prins van Frankrijk, maar mijn belangen liggen toch vooral in mijn hertogdom Bourgondië – voel ik mij niet gerechtigd dit onderwerp luchthartig over het voetlicht te brengen. Immers, ik ben van mening, dat alleen slachtoffers zelf grappen over hun betreurenswaardig lot mogen maken, als zij daar al toe in staat zijn. Leedvermaak door anderen kan weliswaar in hún ogen vermakelijk zijn, maar beschouw ik, die een nobele opvoeding heb genoten, als misplaatst en onbeschaafd.

Nota bene!

FILIPS.

Advertenties