Een paar dagen geleden had ik een verwant van de Engelse gezant over de vloer. Hij wilde eerst niet zeggen, hoe hij heette. Maar ja, dan ben je bij mij aan het verkeerde adres. Nog steeds sluit ik niet uit, dat het een spion was. Hoewel, je zou toch denken, dat redelijk bevriende mogendheden ten opzichte van elkaar open kaart spelen. Edoch, ik moet toegeven, dat, áls het al een spion was, het er dán een was met gevoel voor – Engelse? – humor. Luistert!  

Ik gaf hem, zoals een Bourgondisch gastheer dat betaamt, een uitgebreide rondleiding door mijn onderkomen. Hij bleek zeer geïnteresseerd in de keuken, want hij zei, dat de Bourgondische kookprestaties in bepaalde Engelse kringen inmiddels een goede naam hadden. (Of zegt dat meer iets over de gangbare Éngelse smaak?) Toen hij echter al te nieuwsgierig onder allerlei dekseltjes begon te kijken en er bovendien naar mijn inzicht te veel halfgare stukjes vlees in zijn mond verdwenen, waartegen een van de kokkinnen onder het slaken van merkwaardige kreetjes begon te protesteren, begeleidde ik hem op hoffelijke wijze door het gat van de deur en vervolgden we onze weg.

Aan het eind van de gang zie je links de deur naar de kinderkamer. Daar kom ik vaak, want een vorst draagt niet alleen verantwoordelijkheid jegens zijn volk, maar natuurlijk ook voor zijn eigen vrouw en kinderen. Mijn echtgenote voelt zich daarbij weleens in de weg gelopen, maar ik ben van mening, dat ook vaders hun plaats moeten innemen in de opvoeding van hun kroost.

À propos! We gingen daar naar binnen. Wat wij echter niet wisten, was, dat kennelijk ook zijn twee kindertjes door ons personeel in die kamer onder waren gebracht om met de mijne te kunnen spelen – mochten ze dat willen. Omdat er ook in die kamer een paar zeldzame en kostbare voorwerpen staan die beter buiten het bereik van grijpgrage, onderzoekende kinderhandjes en kindermondjes kunnen blijven, was ik ooit op het idee gekomen om een gedeelte van de kamer af te schermen met een hekwerkje. Daarbinnen in hun territorium rolden onze kleintjes enthousiast over elkaar heen, intussen honderduit woordflarden brabbelend en kraaiend van plezier. Het was overduidelijk, dat ze dolle pret hadden, maar er was geen woord van te verstaan. Ik zag mijn gast genieten van de chaos. “Dat krijg men, als men wat ouder wordt”, schreeuwde ik hem in zijn oor, “we gaan de hoge tonen missen”. “Ja”, antwoordde hij, “gaat UEdele er maar vanuit, dat met de jongere generatie ook de taal en de omgangsvormen zullen veranderen. Trouwens,” voegde hij er grinnikend aan toe, “weet U, hoe wij in onze gebieden zo’n voor de kleintjes afgeschermd kamergedeelte noemen? Een CHATBOX!!!”

 

Een chatbox? 

Gierend van de lach “stolperten” – mooi Duits woord, vind ik – wij de kamer uit op weg naar de serre voor ons eerste glas wijn. Ik heb nu nog last van mijn kaken. Of dat komt door het lachen of door het taaie vlees, dat we ’s avonds voorgezet kregen? Joost mag het weten.     

Nota bene!

FILIPS.

Advertenties