Ik, Filips, groet U, de lezer!

De Notre-Dame te Parijs. De eerste steen werd gelegd in 1163, de bouw voltooid in 1345. 

Jullie weten, dat ik vaak in Parijs verblijf, omdat ik gedurende bepaalde perioden om reeds eerder vermelde redenen in de buurt van mijn neefje moet zijn die koning Karel VI van Frankrijk is geworden. Zodoende ontmoet ik regelmatig achtenswaardige – gewijde en niet-gewijde – heren uit de kringen van de Notre-Dame, die machtige kathedraal op het Île-de-la-Cité in het hartje van de stad. Zij vertellen mij nog steeds met rode konen, hoe Léonin, een organist in de twaalfde eeuw, de tradionele, eenstemmige, ook toen al eeuwenoude Gregoriaanse gezangen op zijn instrument begon te begeleiden. Dát was een ervaring destijds! Velen waren geschokt en vonden het vreselijk vals klinken, als bijvoorbeeld tegelijkertijd met een do in de zangstem het orgel allerlei andere noten speelde, bijvoorbeeld fa-sol-la. Maar … alles went, zelfs een dissonant. Kom daar nu eens om. (In dit verband kunnen jullie mij vast meer vertellen over de reactie van het publiek tijdens de première van de Sacre du Printemps, dat ballet van Strawinsky, in 1913, ook hier in Parijs – maar niet in de Notre-Dame, vanzelfsprekend. Stel je voor! En hoe wordt datzelfde stuk rond het jaar 2000 ontvangen? Ach, vertel mij ook tussen twee haakjes toch eens iets van dat wederzijdse onbegrip tussen de aanhangers van de Rolling Stones en de Beatles!) Maar terzake, Filips!! Je dwaalt af. (Dat heb ik wel vaker: neemt U mij niet kwalijk!)

Toen rond 1300 de componisten van kerkmuziek,  vooral in Frankrijk en Bourgondië, nóg ingewikkelder meerstemmigheid gingen schrijven, werden die moderniteiten door de Paus in 1322 in de kerkmuziek verboden. Een zekere Philippe de Vitry had trouwens kort daarvoor, in 1320, onder de titel “Ars nova” een tractaat over die nieuwe componeerkunst het licht doen zien. Die muziekstijl is daardoor ook zelf die naam gaan dragen. Dit om een breuk aan te geven met de “Ars antiqua” uit de eeuw daarvoor. De muziek in díe tijd was veel statischer geweest: minder ritmische en harmonische verrassingen. De bekendste componisten uit die tijd waren naast voornoemde Léonin een andere componist uit de Notre-Dame-school, Pérotin, en Adam de la Halle.     

Die nieuwe muziek was dus niet meer in de kerk te horen. Maar die ontwikkelingen vonden hun weg toch wel, namelijk in de muziek aan het hof. Ook bij ons in Parijs. Ik heb daar heel wat musici hun kunsten zien vertonen. Ook de grote Guillaume de Machault, waarschijnlijk afkomstig uit de buurt van Reims. (In  de Ardennen ligt een plaatsje Machault.) Aan ons hof in Parijs heeft hij regelmatig zijn muziek ten gehore gebracht. Wat ik ervan vond? Ach, het is bij dergelijke gelegenheden een komen en gaan van mensen die veel van mijn aandacht opeisen. Ik dans ook graag. Nog steeds. Écht wel!

Guillaume de Machault (1300-1377)  

Die Machault schreef trouwens ook allegorische verhalen en romans in dichtvorm, maar vooral heel veel lyrische poëzie. Deze gedichten – nog in de traditie van de “Minnesänger” uit de 12e en 13e eeuw – werden vooral gekenmerkt door het verheerlijken van de liefde tot de adellijke dame – de “hoofse liefde”. Dat was trouwens een uitstervend fenomeen: dichters die op hun eigen werk muziek schreven.    

U merkt, dat er over muziek door de eeuwen heen veel te vertellen valt. Maar voor nu moet dit het zijn. Mijn kaars is bijna opgebrand. Ik leg mij spoedig te ruste. Voor één nacht.

Nota bene!

FILIPS.

Advertenties